Zuchtend en kreunend, tegen de wind in, fietste ik langs het kanaal. Ik was onderweg naar de bibliotheek, in de hoop dat ik daar meer werk zou verrichten.
‘Dat is even wat anders hè,’ hoorde ik achter me.
O god, dacht ik, een bekende.
Het bleek een vreemde. Een nagenoeg kale man met vriendelijke ogen die naast me kwam fietsen. Hij wees naar mijn bagagedrager, waaronder een accuhouder zat, zonder accu, want die was ik vergeten. ‘Dan moet je ineens aan de bak.’
Heel even was ik bang dat hij een sportfanaticus was. Zo iemand die zich achter het belang van beweging verschuilt om andere mensen vrijuit te kunnen minachten.
Toen zag ik dat hij zelf ook een e-bike had.
‘Ik zweet me kapot,’ riep ik.
Hij lachte.
Er volgde een grotendeels waardeloos gesprek – we verstonden elkaar nauwelijks – dat nog geen halve minuut zal hebben geduurd.
En toch. Toen de man me succes had gewenst en doorreed, merkte ik dat er een energie was vrijgekomen waarnaar ik de hele ochtend op zoek was geweest.