Zo rond mijn twintigste begon mijn wantrouwen in het fenomeen discipline aanzienlijk te groeien. Niet alleen als die werd opgelegd door de universiteit of een leidinggevende, maar ook wanneer ik de eisen zelf had opgesteld – vaker sporten bijvoorbeeld, of minder drinken.
Dat wantrouwen had ik daarvoor ook al, maar op een andere manier. Ik ging er toen van uit, zonder daar verder al te veel bij stil te staan, dat mijn verzet vooral iets zei over mijn eigen tekortkomingen. Als ik het niet voor elkaar kreeg om aan een standaard te voldoen die ik als nuttig beschouwde, dan was dat een mislukking. Mijn mislukking.
Dat was dan ook mijn verklaring toen ik in de vijfde klas van de middelbare school bleef zitten. Ik was gewoon lui. Omdat ik een diploma veel belangrijker vond dan mijn vreemde neiging om mijn eigen doelen te saboteren, gaf ik me over aan de gestelde eisen. Met succes.
Achteraf ben ik daar blij mee. Het papiertje was handig, en ik heb bewondering voor de jongen die het verzet overwon dat soms in zijn hele lichaam voelbaar was. Zo heb ik geleerd hoeveel je kunt bereiken buiten je eigen zin om. Maar toen ik de middelbare school eenmaal had verlaten, hield ik dat niet meer vol. Het wantrouwen was te groot geworden.
Wanneer ik anderen daarover vertelde, werd het contact al gauw ingewikkeld, troebel, vaag. Men luisterde wel, en knikte vaak beleefd – zo, jij hebt erover nagedacht – maar zulke gesprekken hadden toch altijd de nasmaak van achterdocht. Leuk verhaal, blijf jezelf dat vooral vertellen, misschien wordt het er gezelliger van als je op een dag onder een brug ligt.
Ik kon daar weinig tegen inbrengen. Want misschien zat ik er wel helemaal naast. Ik had te weinig ervaring om mijn theorie van een fundament te voorzien. Als ik mijn eigen stem de wankele argumenten hoorde geven, geloofde ik het zelf al niet meer.
Ik wist ook eigenlijk helemaal niet wat ik wilde zeggen, behalve dat er iets niet klopte. Dan kom je al gauw tot de nietszeggende stelling dat er iets mis is met ‘het systeem’, of iets dergelijks. Goh, die banken. Die zijn allemaal corrupt, of niet dan? En klaar is het gesprek.
Daarnaast had ik niet het verbale of schrijvende gereedschap om wat ik dacht, wat af en toe toch echt een werkelijk inzicht leek te zijn, in woorden te gieten die voor iedereen begrijpelijk waren. Discipline, verplichtingen, doen wat je gevraagd wordt, of nog veel populairder: wat je van jezelf verwacht, is zo’n immens onderdeel van ons leven geworden dat het bijna onmogelijk is om in gewonemensentaal uit te leggen wat eraan mankeert, en hoe het anders kan.
Maar ik kom inmiddels een heel eind.
Eerst zal ik uitleggen wat er precies misgaat wanneer iemand zichzelf een verplichting oplegt voor de lange termijn. Vervolgens zal ik beschrijven welke denkfout hieraan ten grondslag ligt, wat er niet klopt aan het idee dat een mens niet zonder strikte discipline kan. En daarna, lieve mensen, bied ik een alternatief, in de hoop dat iedere lezer daar voor zichzelf de juiste invulling aan geeft. Want juist in het individu dat zichzelf vertrouwt is een uitweg te vinden.

Het innerlijke conflict
Op het moment dat ik besluit om geld te gaan sparen, hak ik mezelf doormidden. Vanaf nu besta ik op twee manieren. In de eerste plaats ben ik iemand die minder wil uitgeven, vandaar mijn keuze. Maar ik ben ook iemand die daar helemaal geen zin in heeft, anders was het besluit niet nodig geweest.
Dit conflict was er natuurlijk al. Tot op zekere hoogte vond ik het eerder ook al van belang om niet met geld te strooien, anders was ik iedere euro die ik kreeg onmiddellijk weer kwijtgeraakt. Maar ik had toen nog niet de behoefte om hier een plan voor op te zetten, waardoor het conflict zich onder de oppervlakte afspeelde, zonder tussenkomst van mijn gestuurde bewustzijn. Ik deed mijn uitgaven grotendeels op de automatische piloot.
Dat automatisme wil ik stopzetten. Ik wil meer controle, mezelf beter besturen. Hoewel ik weet dat ik op twee manieren besta, geef ik vanaf nu aan de zuinige versie de voorkeur.
Morgen loop ik anders door de supermarkt dan ik hiervoor altijd deed. Nu hou ik mezelf voortdurend in de gaten. Ik neem pindakaas, want ik heb iets nodig om op brood te doen, maar zonder nootjes, want dat scheelt dertig cent. De chips laat ik liggen, ik kan prima zonder. Ook de flessen cola leg ik niet meer in mijn mandje. Misschien wordt het tijd om eens wat vaker water te drinken. Zo beperk ik mijn mogelijkheden tot alles wat ik nodig denk te hebben, in plaats van waar ik op dat moment zin in heb.
Uiteraard gaat dit niet zonder strijd. Ik ben nog steeds dol op pindakaas met nootjes. Als ik langs de chips loop, voel ik de teleurstelling. En iedere keer dat ik een glas smakeloos water drink, denk ik aan de smaak van cola. Door de ene versie van mezelf te laten bepalen hoe beide versies moeten leven, wordt de andere versie ontevreden.
Pindakaas met nootjes wordt na verloop van tijd een goddelijk goedje dat me van al mijn zorgen kan bevrijden. Ik weet natuurlijk heus wel dat dit niet waar is, dat die andere versie alles wat ik mezelf niet toesta veel mooier maakt dan het in werkelijkheid is, maar toch, het gevoel voortdurend iets te missen, blijft.
Ik zeg wel tegen mezelf dat het makkelijk uit te houden is, dat hele sparen – waarom ben ik hier niet veel eerder mee begonnen – maar dat is allemaal de rationele stem in mijn hoofd, die iedere dag wat meer van zijn kracht verliest omdat de voldoening die de eerste verandering teweegbrengt steeds gewoner wordt. En vanbinnen borrel ik nog. Wachtend op het moment dat die rationele stem gemakzuchtig wordt.
Toch hou ik stand. Nu al weken. In de veronderstelling dat de onvrede van die andere versie van mezelf op den duur wel wat minder zal worden, omdat ik eraan gewend zal raken, blijf ik volhouden. Op een dag zal ik zijn wie ik nu alleen nog acteer: de zuinige versie. Hoe langer ik doe alsof ik iemand ben, des te groter de kans dat je diegene wordt, is mijn overtuiging.
Maar klopt dat wel?
Het geloof in een goede uitkomst
Ja, natuurlijk klopt dat. Ik heb het anderen vaak genoeg zien doen. Al die mensen die van de daken schreeuwen dat ik kan bereiken wat ik wil, als ik er maar in geloof, die zullen dat heus niet volledig uit hun duim zuigen. Toegegeven, ze overdrijven soms een beetje, en dat dramatische muziekje onder hun inspirerende video’s is ook niet alles, maar hun punt is glashelder: kies wie je wil zijn, en handel daarnaar.
De vraag is alleen: wie zegt dat wat zij beweren ook voor mij opgaat? Zij beweren dat ze hun geld verstandig uitgeven omdat ze inzien dat het nadelige gevolgen heeft wanneer je er al te makkelijk mee omgaat, maar is dat echt een geloof, of meer een theorie? Beide, in zekere zin. Het is een theorie, en omdat ze in hun eigen leven zien dat die klopt, geloven ze erin.
Dat bewijs, dat de theorie blijkt te kloppen omdat de praktijk dat aantoont, heb ik niet. Voor mij is het alleen een theorie. Ik heb alleen de verhalen van mensen die zeggen dat het klopt, en daar moet ik op vertrouwen. Dat vertrouwen helpt me op weg, zeker, maar het blijft een theorie, en in theorie is het logisch dat ik geld kan sparen, want in theorie kan ik zo veel.
In theorie kan ik trainen voor een triatlon. In theorie kan ik archeoloog worden. In theorie kan ik veertien boeken per jaar schrijven. Maar de theorie houdt geen rekening, of in elk geval veel te weinig, met de mens in de praktijk.
Want misschien wil ik wel helemaal geen triatlon doen. Misschien blijk ik fossielen wel vreselijk saai te vinden. Misschien kan ik het helemaal niet opbrengen om meer dan honderd woorden per dag te schrijven, wat ik ook probeer. In theorie is dat allemaal gezever, slechts een mening, tijdelijk tegenstribbelen van een minderwaardig onderdeel van mezelf, maar in de praktijk zijn zulke observaties van essentieel belang.
De theorie klopt misschien wel, maar die heeft betrekking op de gemiddelde mens. Oftewel: de verzonnen mens. De mens uit het boekje van de wetenschap, die makkelijk te voorspellen is, niet omdat mensen zo voorspelbaar zijn, maar omdat de gemiddelde mens niet echt bestaat.
De motiverende spreker die mij vanuit een inspirerende video vertelt dat ik beter met mijn geld kan omgaan, heeft het in de eerste plaats tegen zichzelf. Want die spreker kent mij helemaal niet. De belangrijkste reden dat het de spreker is gelukt om geld te sparen, is dat hij zo is. De theorie klopte vooral omdat die perfect aansloot op wie hij in de praktijk bleek te zijn.
Maar wat nou als ik veel meer moeite heb? Natuurlijk kan ik mezelf in een bepaalde richting proberen te duwen, misschien kom ik zelfs een heel eind, maar het succes is afhankelijk van wie ik tijdens dat proces blijk te zijn. De sturing gaat maar tot een bepaald punt. Ik ben een mens, geen robot.
Hoewel ik regelmatig denk dat de gedachten in mijn hoofd de regie over mijn leven hebben, en dat ik daarom volledig te besturen ben, is dat niet het geval. Het hele organisme is de baas. Waaronder de drift om pindakaas met nootjes te kopen. Of wat ik vroeger allemaal van volwassenen heb geleerd over de omgang met geld. Of het ingebouwde systeem dat onvervulde verlangens wil volstoppen met spullen. In hoeverre ik dat allemaal heb, weet ik niet precies, dus weet ik ook niet hoe ik me ertegen moet verweren – en dat maakt sparen zo moeilijk.
Wat ik doe als ik mezelf een discipline opleg, is dat ik van tevoren verzin wie ik in de toekomst wil zijn. Vaak is dat een ernstige overschatting van de kennis die ik over mezelf heb, een overschatting waarmee ik mezelf diep ongelukkig kan maken. Soms is het nodig, zo’n overschatting, want je moet toch een kant op, maar zodra je vergeet hoe arrogant die aanname is, dat je dat allemaal precies weet, raak je jezelf kwijt, en daarmee vaak ook het beoogde doel.
Ik kan mezelf alleen in een richting sturen als ik mezelf goed ken, want de theorie moet aansluiten op de praktijk, en ik kan mezelf iedere dag beter leren kennen. Maar die kennis kan pas groeien als ik mezelf toesta om me aan mezelf te openbaren. Om te laten zien wie ik blijk te zijn, bijvoorbeeld door een pot pindakaas met nootjes te kopen, omdat mijn hele lichaam me vertelt dat ik dat moet doen, terwijl ik vorige week had besloten dat dat verboden is.
Als ik me vastklamp aan een plan dat ik in het verleden heb opgesteld, ga ik leven naar de standaard van een ander. Hoe ik het ook aan mezelf wil verklaren – kom op, je weet heus wel dat het goed voor je is om te sparen, dat heb ik vorige week nog heel duidelijk ingezien – die gast van vorige week is niet het organisme dat ik nu ben. Die gast met dat plan was een idee dat ik toen over mezelf had.
Mooie boel zeg. Dan heeft discipline zeker geen enkele zin meer?
Nee, dat beweer ik niet. Ik zeg alleen dat je je vreselijk kunt vergissen. Dat maakt het zo lastig om te bedenken wat je nu eigenlijk wil. En iedere keer dat je doet alsof het makkelijk is, omdat je voor jezelf hebt bepaald wie je zou moeten zijn, wordt het nog veel moeilijker, want je verruilt het hele organisme voor een simpel idee – en dan maar hopen dat het organisme tevreden blijft.
Tussen benauwende orde en chaotische vrijheid
Keer het om, en het gaat al een stuk makkelijker. Ik heb in principe geen idee wat ik precies wil, dus dat kan ik ieder moment opnieuw uitvinden. Wat ik ook probeer, ik ga me hoe dan ook vergissen, maar dat is niet erg, want hoe vaker ik me vergis, des te dichter kom ik bij de waarheid. Des te beter leer ik mezelf kennen.
Ja maar hallo, hoe moet ik dan sparen? Ik klikte op dit stuk omdat ik wilde weten hoe ik moet sparen.
Het was niet mijn bedoeling om je te leren hoe je moet sparen. Ik wilde je alleen laten zien op welke manier je het nog veel lastiger voor jezelf maakt. Hoe je moet sparen, is volledig afhankelijk van wie jij precies bent, en er is maar één iemand die daar het meest van weet.
En als het onmogelijk blijft, dat sparen, als geen enkele aanpak lukt om geld te sparen, terwijl je denkt dat je dat het allerliefste wil, is het probleem misschien heel anders, namelijk: waarom wil je eigenlijk sparen? Hoe kom je erbij dat sparen voor jou verstandig is? Als je van een ander wil horen hoe jij jezelf kunt dwingen om minder geld uit te geven, is de zuinige versie in jou veel minder machtig dan die ander.
Misschien ben je wel iemand die niet wil sparen. Dus moet je dáár beginnen, bij iemand die het niet kan. Bij iemand die de lat heel laag moet leggen, omdat hij anders iemand probeert te zijn die hij in de verste verte niet is. Begin met kleine en steeds kleinere stapjes, totdat de zuinige versie tot leven komt, niet omdat hij moet, maar omdat hij tot het inzicht komt dat het kan – en dat het leuk is.
Want hoe makkelijk je geld ook uitgeeft, nog steeds ben je ergens diep vanbinnen ook die zuinige versie. Die zuinige versie vindt het leuk om vanuit zijn luie stoel een leuk plannetje te bedenken om zijn of haar leven te beteren. Maar als het erop aankomt, als je door de supermarkt loopt, komt je ware aard naar boven. Niet omdat de ene versie meer waar is dan de ander, maar omdat je in de supermarkt niet meer gelooft dat het leven zich afspeelt in je stoel, tussen je oren. In de supermarkt ben je een mens in de praktijk.
Discipline is een nuttig middel, maar alleen wanneer die zich voortdurend aanpast aan de feedback van degene die wordt gedisciplineerd. Te veel discipline is een dictatuur, te weinig discipline is totale chaos. Een effectieve vorm van discipline is bijsturen, in plaats van dwingen. Jezelf herinneren aan langetermijnwaarden om kortetermijndriften te beteugelen, terwijl je voortdurend openstaat voor de mogelijkheid dat het onderscheid tussen die twee – waarden en driften – veel onduidelijker is dan wat je over jezelf denkt te weten.
Ik koop pindakaas met nootjes omdat mijn drang om nootjes te eten groter is dan de drang om te sparen, dus moet ik dat sparen anders gaan invullen. Ik gooi niet meteen de hele spaartheorie overboord, maar pas de theorie aan omdat ik, de praktische mens, niet het gemiddelde bleek te zijn. Zo zijn discipline en vrijheid voortdurend in conflict, zonder de ander tot wanhoop te brengen, en ontstaat een steeds groter evenwicht tussen beide.
Een tijdje geleden zat ik bij mijn moeder thuis in mijn favoriete stoel een boek te lezen. Ik had de avond ervoor met mezelf afgesproken om die dag hard te lopen, maar dat had ik nog niet gedaan. Het was al kwart voor vijf ’s middags, en er stond een afspraak voor het eten in mijn agenda, dus als ik nog wilde, moest ik zo snel mogelijk in beweging komen. Stoppen met lezen, uit die stoel, en op de fiets naar huis.
Maar het boek werd steeds beter. Hoe groter de noodzaak om te moeten stoppen, des te meer genoot ik van het lezen. Dus nam ik een besluit.
Ik ging niet meer hardlopen. Dat kwam een andere keer wel. Wat zat ik het mezelf nou onnodig lastig te maken, zo belangrijk was dat hardlopen toch ook weer niet. Ik moest er plezier in houden, dat had ik mezelf beloofd, dus weg ermee, vandaag een keer niet.
Onmiddellijk verdween de druk. Die heerlijke verlichting die je ook voelt als iemand een afspraak afzegt waar je zelf al geen zin in had. Totale vrijheid, verpakt in een paar seconden.
Maar het vreemde was, daar hield het niet op. Want met het verdwijnen van de verplichting, verdween ook het verzet. Er was niets meer om tegenaan te schoppen. Niets meer om tegenop te zien. En daardoor veranderde ook het boek, en de stoel, en de aantrekkingskracht van dat alles. Lezen was niet meer een verboden traktatie waar ik stiekem van genoot, maar gewoon een mogelijkheid; mijn eigen, voorlopige, doodeenvoudige keuze.
Nog geen twee minuten later stond ik op. Ik wilde hardlopen.
Wat een feest van herkenning zijn je stukjes! Blij dat ik mee kan lezen op dit podium: geschreven woorden lezen is helpend om wat helderheid te verschaffen, maar natuurlijk gaat het voor mij over herkenning ( en dat ik dus niet alleen ben in deze hersenspinsels)