Ik nam de fiets met het krat voorop, zodat we de boodschappen makkelijk konden meenemen: twee zware tassen en een stokbrood waar geen einde aan kwam. Omdat ik niet het juiste gereedschap kon vinden – ik had met een ongeschikt setje inbussleutels in de fietsenkelder gestaan en beteuterd, bijna huilend om me heen gekeken – zat zowel mijn stuur als mijn zadel te laag. Ach, kon wel.
Kon helemaal niet. Ik zat zo kinderlijk laag dat het voelde alsof mijn knieën tijdens het trappen langs mijn wangen schoten. De fiets had geen versnellingen, waardoor ik rondjes maakte die harder gingen dan mijn benen konden bijhouden. Ik was een hamster, dat was ik, een hamster op een looprad.
En terwijl het zelfmedelijden een vaart nam, bleef het stokbrood me uitdagen. Het hing met zijn bovenlijf over de rand van het krat, gevaarlijk heen en weer te schuiven, onaangedaan door mijn verwensingen. Alles wat ik ooit vervelend had gevonden, alles wat me ooit was aangedaan, balde zich samen in dat afschuwelijke stokbrood.
Zonder te remmen begon ik te slaan.
‘Tyfusstokbrood,’ zei ik.
Ik sloeg het stokbrood dubbel en perste het zo diep als ik kon terug zijn mand in.
Even later werden we ingehaald door het stokbrood in menselijke gedaante. Een vrolijke man op een stadsfiets, met een witte helm op.
‘Ga je naar school of ga je naar het strand?’ vroeg hij.
Ook dat nog, dacht ik. Is er dan helemaal geen genade?
‘Naar het strand,’ zei ik.
‘Je kan beter naar school gaan,’ zei de man, en fietste door.
Ik wilde iets gooien. Ik wilde het stokbrood achter hem aan gooien, met volle kracht tegen zijn witte helm. Ik wilde vragen wat hem bezielde. Hoe hij het in zijn hoofd had gehaald om zo’n absurde vraag te stellen, om zo’n krankzinnige tip te geven.
Maar ik vertrouwde mijn eigen boosheid niet meer. Want dat antwoord van mij – naar het strand! – dat was vriendelijk geweest, onschuldig, minstens even vrolijk als die man zijn vraag had gesteld. Wat ik ook probeerde om terug te keren naar het chagrijn van daarvoor, er was iets onomkeerbaar veranderd. Als ik twee seconden lang zorgeloos had kunnen zijn, wat was ik dan nu nog aan het doen?
Die avond las ik Michel de Montaigne: ‘We zijn allemaal maar lapwerk, en zo bont en vormloos samengeweven, dat ieder stuk op ieder moment zijn eigen rol speelt, en er is evenveel verschil tussen ons en onszelf als tussen ons en de andere mensen.’