In mijn favoriete voetbalpodcast, die van Hard Gras, wordt deze week gelachen om bekrompenheid. Eerst komt Aad de Mos ter sprake, die gezegd zou hebben dat Afrikaanse spelers alles op intuïtie doen. Dan wordt Seedorf genoemd, die het als voetballer ook vaak te verduren kreeg. Panter, was zijn bijnaam. Beest.
‘Oerwoudachtige associaties,’ zegt P.F. Thomése. Er wordt voorzichtig gelachen. Niet om die oerwoudtermen uiteraard, maar om de mensen die ze gebruiken.
We spoelen twee weken terug; dezelfde podcast, bijna dezelfde samenstelling. Wederom Thomése, Henk Spaan en Suse van Kleef; alleen Martijn Simons is ingeruild voor Ivo Victoria. Ajax-verdediger Calvin Bassey wordt geanalyseerd. Victoria: ‘Ik zou hem wel willen hoor, bij PSV. Als je een beest wil, centraal achterin.’
Niemand corrigeert hem, er wordt ook niet gelachen.
Je zou kunnen zeggen: Victoria bedoelt het heel anders. Bassey is sterk, met zijn huidskleur heeft dat woord niets te maken. Matthijs de Ligt is ook een beest. En anders dan veel van mijn generatiegenoten ben ik bereid dat te geloven. Althans, ik geloof dat het mogelijk is. Taal is een warrig instrument, soms zeg je per ongeluk precies wat je stiekem bedoelt, en andere keren worden je woorden letterlijk genomen terwijl jij heel ergens anders aan dacht.
Wat me alleen altijd weer verbaast, is de vanzelfsprekendheid waarmee mensen die weleens een roman lezen, besluiten wie de voordeligste interpretatie krijgt.