Ga naar de inhoud

De trottoirontmoeting

Onlangs las ik Ischa, een verzameling verhalen over Ischa Meijer, verteld door mensen die hem goed hebben gekend, opgetekend door Gijs Groenteman. Een boek om je vingers bij af te likken. Een van de citaten die me is bijgebleven, komt van Arend Jan Heerma van Voss: ‘[Ischa] was een meester in de trottoirontmoeting. Voor veel mensen was zo’n gesprekje bijna hun dierbaarste herinnering.’

Een meester nog wel. Ik had mezelf er kortgeleden van overtuigd dat iemand tegenkomen op straat voor iedereen een kwestie van overleven is. En nu bleken er meesters in te zijn.

Bij mij duurt het zo’n vijf minuten voordat ik op dezelfde frequentie zit als degene met wie ik spreek. Soms langer, bij mensen zonder humor, en soms korter, bij intuïtieve persoonlijkheden. (Ischa Meijer zal zo iemand zijn geweest.) Een trottoirontmoeting duurt hooguit twee minuten. Dat betekent dat ik drie minuten na afloop van het gesprek pas de informatie doorkrijg die ik vijf minuten eerder nodig had. De geschikte begroeting bijvoorbeeld, die verschilt per persoon. Of de daaropvolgende vragen en reacties, plus de volgorde waarin die, afhankelijk van de inbreng van de tegenspeler, het best tot hun recht komen. Met een klein beetje ongeluk gaat het als volgt.

TEGENSPELER: Hé, alles goed?
IK [op hetzelfde moment]: Hoe is het?
TS: Wat?
IK: Lekker, met jou?
TS [verward]: [knikt]
IK: Waar ga je heen?
TS: Naar huis.
IK: Beetje aftrekken.
TS: Wat zeg je?
IK: Nee, ik maak een geintje.
TS: Ja, maar ik verstond je niet.
IK: Beetje aftrekken, zei ik.
TS: O, nee.
IK: Oké.
TS [depressief]: Nou, we spreken elkaar.
IK [depressief]: Ja.

De trottoirontmoeting voelt als een inherent onnatuurlijke, niet-menselijke aangelegenheid. Zelfs wanneer ik een goede vriend tegen het lijf loop, vraagt mijn systeem zich even af: hoe zat het ook alweer, tussen ons, hoe doen wij ook alweer? En ik weet dat er meer van zulke mensen zijn. Veel meer. Ik zie de rode koppies heus wel. Ik hoor het gestamel. De pogingen om je vloeiender, samenhangender voor te doen dan je je op zo’n moment voelt.

Juist bij de mensen die het niet van zichzelf doorhebben, is dat het ergst. Want dan moet ik het opvangen. Niet alleen mijn eigen imago wil ik redden, ook jou moet ik helpen, met je onbeholpen schoudertjes en je gestotterde vraag die per ongeluk eindigt in een punt. Of het andere uiterste; het korte knikje, de afslag om me te ontwijken, de gespeelde verbazing als ik bij de kassa toch nog tegen je oploop. Och, als we toch eens wisten wat voor dierbare herinneringen we hadden kunnen maken.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *