We aten bij WT Urban Kitchen, een ongepast futuristische naam van een restaurant dat zich op de tiende verdieping van een oude watertoren in Utrecht bevindt. Onder ons lag de stad, ongevaarlijk, aandoenlijk bijna, van zo’n afstand, en vlak boven ons dreven de wolken voorbij.
‘Zo mooi, die wolken. Te niet-menselijk om echt te zijn,’ hoorde ik mezelf zeggen na het derde speciaalbiertje, en hoewel ik meteen de neiging voelde om mezelf na te praten – want hoorde mij eens even, met mijn goedkope poëzie – liet ik het zo. Je durft wat anders te proberen, op zo’n avond.
Vijf verschillende gangen werden stuk voor stuk van een korte introductie voorzien waarvan ik alleen een paar steekwoorden kon verstaan – bieten! Hij zei bieten! – omdat mijn aandacht vooral werd getrokken door de poging van de ober om, terwijl hij de ingestudeerde teksten op ons afvuurde, zijn eigen persoonlijkheid in leven te houden. Dat lukte hem aardig. Afgezien van enkele schoonheidsfoutjes, zoals de vraag na ieder gerecht op exact dezelfde toon – ‘En, heeft het gesmaakt voor jullie?’ – was hij meer mens dan routine.
Des te groter het contrast met de jongen die niet lachte.
Hij zat aan het tafeltje naast ons, tegenover een vrouw die zijn vriendin leek te zijn. De jongen droeg een keurige outfit, een beige chino onder een donkerblauwe pullover, en had het welvarende, ietwat ronde gezicht, alsmede het donkere, halflange haar, van iemand die bedrijfskunde studeert. Ik herkende hem. Niet als individu, maar als type, omdat ik het type op verjaardagen, netwerkborrels en andere sociale gevangenissen koste wat kost probeer te ontlopen.
Hoe vaak ik ook zijn kant op keek – om hem dan eindelijk op menselijkheid te kunnen betrappen; een luchtige glimlach, een zelfrelativerend schouderophalen desnoods; de jongen bleef ernstig. Ongeacht het onderwerp had hij voortdurend diezelfde, bloedserieuze blik in zijn ogen, die een ander alleen gebruikt wanneer hij iemand moet vertellen dat zijn kat onder een auto is gekomen.
En toen, bij het dessert, gebeurde er iets.
De jongen had een grapje gemaakt. Ik kon mijn oren nauwelijks geloven, maar zijn vriendin begon te lachen. Eerst bescheiden, door de neus, onwennig nog, en toen harder, omdat de jongen er een schepje bovenop had gedaan: hij speelde een typetje. Hij had zijn lippen strak over zijn tanden getrokken, en terwijl hij zijn hoofd driftig heen en weer bewoog, maakte hij rare, onverstaanbare geluidjes, alsof hij zijn gebit niet in had. Iedere beweging, elk geluid werd aangemoedigd door het gelach aan de andere kant van de tafel, dat nu op hinniken was gaan lijken.
Toen de jongen klaar was, gloeiend van trots, een beetje zijn balans kwijt, nam hij een slokje van zijn bier. Speciaalbier, zag ik. Misschien was het zijn derde.