De eerste keer in korte broek is altijd onwennig. Er waren gisteren dan ook meerdere pogingen nodig voordat ik er eentje aandurfde.
Eerst viel mijn oog op een donkerrode korte broek met daarop kleine witte stipjes, die toen ik hem in mijn hand had, niet rood maar paars leek. Toen ik de korte broek eenmaal aanhad, voelde ik mij een clowntje, niet in de laatste plaats omdat mijn vriendin zei dat hij ‘niet zo’ was. De rode, bijna paarse korte broek was vrolijk, misschien zelfs leuk, maar zeker niet mooi. Meteen had ik bewondering voor de man die ik de vorige zomer was, en vele zomers daarvoor, die broeken als deze droeg alsof het voor een volwassene gebruikelijk is om in een paarse broek met witte stippen over straat te gaan.
De tweede mogelijkheid was een zwembroek. Een lichtblauwe, beetje groenige zwembroek die ik wél mooi durf te noemen, die daarnaast lekker strak zit maar ook weer niet té, en die de nuttige illusie creëert dat ik mij meer thuis voel in de hitte dan al die anderen, die eerst een overgangsbroek nodig hebben.
Zo’n ander werd ik zelf, want ik koos voor de derde, veilige optie, een simpele, lichtgrijze korte broek, die ik onderaan de pijpen even omsloeg, om toch nog iets van modieuze nonchalance uit te stralen.
Maar ook in deze broek had ik een probleem, zelfs meerdere problemen, die, zo besloot ik gauw daarna, onvermijdelijk waren, omdat ze inherent zijn aan de eerste korte broek van het jaar. Mijn voeten werden groter, mijn benen witter en mijn lijfje jongensachtig op het kinderlijke af. Omdat ik geen overhemd kon vinden dat op de korte broek aansloot, koos ik voor een wit t-shirt, geen al te grote steun voor mijn lijfje, dat liever in wat wijders was gehuld, maar neutraal genoeg om niet te enthousiast te zijn.
Toen de voeten. Want die grote, platte, haast onwerkelijk lange dingen, schreeuwden om aandacht. Mijn teenslippers had ik laatst weggegooid, in mijn huisslippers durf ik vanwege de asociaal-goedkope kleur blauw nauwelijks de postbus te legen, en mijn zwarte sportschoenen, die mijn voeten onder een lange broek juist wat kleiner maken, maakten mijn voeten onder de korte broek gigantisch. Enorme, lompe, zwarte poten, die op het laminaat in de woonkamer zuigende klappen gaven alsof ik in zwemvliezen langs het zwembad liep. Het enige wat ik daar nog aan kon veranderen, was de kleur, omdat ik boven witte sportschoenen had liggen die eigenlijk nog groter waren, maar die in tegenstelling tot het zwart van dat andere paar, niet in schril contrast stonden tot de rest, waardoor die schreeuw om aandacht wat minder hard werd en ik klaar was om naar buiten te gaan.
Het zachte briesje herinnerde mij onmiddellijk aan de aanwezigheid van mijn tepels, die daarom niet alleen van mij waren, maar ook een beetje van iedereen die ik tegenkwam. Het liefst had ik ze allemaal persoonlijk gezegd dat ik beter een wat donkerder shirt aan had kunnen trekken, maar dat ik in de vertrouwdheid van mijn eigen huis nog niet had kunnen inschatten hoe moeilijk ik het vond om op de eerste echt hete dag van het jaar in een strak, bij nader inzien zelfs doorschijnend shirtje te lopen.
Gelukkig zat ik al snel daarna bij familie in de tuin, en toen, nadat mijn oudste broer mij had gevraagd of ik anders even een potje wilde tennissen, omdat ik eruitzag als iemand die niets liever doet dan tennissen, de zon dan eindelijk boven de reusachtige bomen uittorende en vanuit de betoverend blauwe lucht op ons neerscheen, trok ik mijn shirt uit, en zakte, waarschijnlijk nog lelijker dan ik de hele dag was geweest, achterover in een campingstoel, alweer vergeten dat het ooit onwennig was geweest.
Zeer vermakelijk.