‘Zeg maar welke je mooi vindt.’ Mijn vriendin drukte een mobiel in mijn handen waarop een lange lijst met lampen te zien was, verschillende pagina’s zelfs, zag ik toen ik bij de onderste rij was aanbeland en nog steeds geen mening had gevormd. Terwijl ik toch echt mijn best deed. Ik bekeek de lampen zorgvuldig, klikte nog eens op de afbeelding, scrolde nog eens terug om die van net nog eens te zien, en probeerde me voor te stellen of zo’n lamp in onze woonkamer mooi zou zijn.
Tevergeefs. Bij geen enkele lamp voelde ik iets. Niet dat ik ze lelijk vond, helemaal niet zelfs. Ze waren juist allemaal wel geschikt. Op de derde of vierde pagina, met het gezicht van mijn vriendin zo’n beetje tegen mijn wang gedrukt, wees ik er uit wanhoop toch maar een aan. Die misschien? Er viel een stilte, waarin beleefdheid en leedvermaak in haar gezicht om voorrang streden, en er uiteindelijk een glimlach op verscheen die allebei kon zijn, dus voordat ze mij in een kwaad daglicht zou stellen, zei ik: of trouwens, nee, ik weet niet.
De sensatiebeluste lezer zou hieruit kunnen concluderen dat ik bang ben voor mijn vriendin. En dat is natuurlijk ook zo. Maar dat is niet het hele verhaal.
Nee, waar ik vooral in hevige mate door geïntimideerd werd, was mijn eigen gebrek aan smaak. Daarmee bedoel ik niet een slechte smaak, maar letterlijk een gebrek, de afwezigheid van smaak. Geen oordeel. Geen mening. Zoals je weleens wakker wordt aan tafel omdat iemand je vraagt wat jij er eigenlijk van vindt. Maar dan kun je je schouders ophalen. Die lamp moest er komen.
Er was niets in mijn lichaam, of in mijn gedachten, dat ik een gevoel zou kunnen noemen met betrekking tot een specifieke lamp. Er waren lampen, heel veel lampen, er waren gedachten over lampen, en er waren gevoelens die verder niets met de lampen te maken hadden, zoals een tevreden buikje omdat we lekker gegeten hadden, en een wat stijve nek omdat ik al geruime tijd in een onhandige houding lag, met die mobiel voor mijn gezicht.
Wat te doen? Wat moet iemand doen die gevraagd wordt naar zijn mening, terwijl hij die mening niet heeft? Antwoord: geen flauw idee.
Wat ik wel weet, is wat ik deed. Ik gebruikte mijn gedachten over de lampen, om daaruit een soort rationele mening af te leiden, die ik misschien zou kunnen gebruiken om in mezelf een gevoel op te wekken. Zo dacht ik over een opvallende, reusachtige lamp op ik meen pagina 2: dat zal wel een rare lamp zijn, bij uitstek een lamp voor de liefhebber, dus zeker geen lamp voor iemand met een gebrek aan smaak. Zulke lampen schreef ik af.
Wankel stapje voor wankel stapje sloot ik de vreemde soorten uit, die steeds gewoner werden. Want dat is wat een gebrek aan smaak met iemand doet: hij kiest voor het gewone, de lamp die zo min mogelijk verraadt dat er een keuze is gemaakt. En als ik alleen woonde, dan was het hier geëindigd. Dan had ik nu een lamp boven de eettafel hangen die in alle smakeloze huizen hangen, en waarover de mensen die komen eten in de auto naar huis niets zullen zeggen, omdat ze de lamp godzijdank niet hebben opgemerkt.
Maar ik woonde niet alleen. Ik moest wel.
Uiteindelijk deed ik het als volgt: ik verklaarde het bovenstaande, in iets andere, wat meer relativerende woorden aan mijn vriendin, die mij eerst uitlachte, en vervolgens hielp. Zij bracht reliëf aan in de grijze massa, door zelf een aantal lampen aan te wijzen die zij mooi vond. Kijk, dit vind ik nou een leuke lamp. Waarop ik antwoordde: ja, inderdaad.
Nu zal de al eerder genoemde sensatiebeluste lezer denken: die jongen wordt geleid door zijn vriendin. En dat is natuurlijk ook zo.