Soms is een enkel citaat genoeg om je nieuwsgierigheid naar een schrijver aan te wakkeren. Toen ik deze uitspraak van Michel de Montaigne voorbij zag komen, reserveerde ik meteen een biografie bij de bibliotheek. Zijn eigen essays waren al uitgeleend. Misschien maar goed ook, want ik had dat dikke boek een paar jaar eerder geprobeerd, en de nasmaak van teleurstelling was nog steeds niet verdwenen.
Misschien was ik toen nog te jong, en als lezer te onvolwassen. Aan de andere kant: klassiekers vind ik bijna altijd tegenvallen. Ik ben er nog steeds niet uit of dat betekent dat ik simpel ben, ongedisciplineerd, verslaafd aan snelle voldoening, of dat dit ook voor andere lezers geldt, maar dat die het voor zichzelf houden. Hoe dan ook: mijn interesse in grote denkers blijft onverminderd sterk, ook al moet ik soms omwegen gebruiken om van ze te leren.

Alexander Roose was een behulpzame gids. In De vrolijke wijsheid bespreekt Roose vol aanstekelijk enthousiasme het leven en denken van Michel de Montaigne, twee zaken die de Franse filosoof nooit van elkaar wilde scheiden. Dat is een van de redenen waarom ik Montaigne, althans de Montaigne die Roose ervan maakt, bewonder. Volgens hem is filosofie alleen van waarde wanneer ze ook praktisch nut heeft. Denken om het denken is slechts fantasie, en vaak een chaotische waanvoorstelling. Juist daarom is zijn voorbeeld Socrates, die voortdurend zocht naar de juiste manier van handelen, met de rede als instrument, in plaats van als doel. Maar wat me nog meer in Montaigne aantrok, is zijn zelfkritiek. Hij blijft maar inhakken op de zwakke plekken in zijn wereldbeeld, zonder zichzelf te verlammen, want ook blijft hij zoeken naar de waarheid. Dit vindt hij zelf zijn enige talent: zijn eigen gedachten kalmpjes bestuderen, in de hoop uiteindelijk gemoedsrust te vinden.
En dan?
‘Ik wil dat de dood mij aantreft terwijl ik mijn kool plant, en dat ik mij niet druk om hem maak en nog minder om de tuin die niet afgemaakt is.’