Ik zat in de trein uit het raam te staren, in gedachten verzonken, met abstracties in de knoop, toen het concrete tegenover me kwam zitten.
Jij zit het jezelf lastig te maken, zei hij.
Ik probeerde te lachen.
Kom, zei hij. Vertel waar je mee zit. Misschien kan ik helpen.
Dat betwijfel ik.
In je hoofd is alles erger, zei het concrete.
Ik wist dat hij een punt had, en ik had niets te verliezen, dus deed ik een poging om het uit te leggen. Toen ik was uitgesproken, zei hij: veel te ingewikkeld.
Laat maar, zei ik.
Nee, nog een keer, zei het concrete. Maar hou het simpel, alsjeblieft.
Ik deed een tweede poging.
Oké, zei het concrete. Maar wat is precies het probleem?
Dat vertel ik toch net?
O, zei het concrete. Dat heb ik dan gemist. Nog één keer. Zo simpel mogelijk.
Maar het is niet simpel, zei ik.
Tuurlijk wel.
Als het simpel was, was er niets aan de hand.
Alles is simpel, zei het concrete.
Dit niet, zei ik.
Omdat jij het ingewikkeld maakt.
Prima, zei ik. Dan maak ik het ingewikkeld.
Dat is toch nergens voor nodig?
Nee, zei ik. Misschien niet.
Waarom doe je het dan?
Ik doe het niet. Het is al zo. Als ik het ingewikkeld maak, dan heb ik dat al gedaan. Dus is het al ingewikkeld. Daar zijn we nu. Tegen iemand die dik is kun je niet zeggen dat hij gewoon dun moet zijn. Zo werkt het niet.
Maar wel dat hij minder moet eten.
Wat?
Iemand die dik is, die moet wat minder eten.
Dit heeft geen zin, zei ik. Je begrijpt het toch niet.
En jij wel?
Je weet heus wel wat ik bedoel, zei ik.
Ik begrijp het inderdaad niet, zei het concrete. Maar ik wil het ook niet begrijpen. Nog niet. Ik wil eerst weten wat het probleem is.
Maar dat kan ik dus niet zeggen.
Wat niet?
Wat het probleem is. Niet precies, in elk geval. Dat is onderdeel van het probleem. Ik weet alleen dat er iets niet klopt. Dat er iets helemaal scheef zit.
Misschien moet je een scheet laten, zei het concrete.
Ik knikte.
Sorry, zei het concrete. Er is dus een probleem, maar je weet niet wat het is.
Ja, zei ik.
Dus het doel is om de bron te vinden. De oorzaak.
Exact.
Oké, zei het concrete. Nu heb ik een beeld. Leg het nog één keer uit.
Terwijl ik dat deed, ging ik rechtop zitten. Nu kwamen we ergens.
Het duurde even voordat het concrete reageerde.
En, vroeg ik.
Gelukkig, zei het concrete.
Wat?
Er is geen probleem.
Jawel, zei ik. Natuurlijk is er wel een probleem. Dat leg ik net uit.
En wat is dat dan?
Voor de zoveelste keer: dat weet ik niet.
Ik snap het niet, zei het concrete. Ik snap er helemaal niks van. Ik dacht even dat ik het begreep, maar toen was ik het gelukkig weer kwijt.
Gelukkig?
Dit is mijn halte, zei het concrete.
Nee, wacht even. Hoezo gelukkig?
Wat?
Dat zei je net. Dat je het gelukkig weer kwijt was. Waarom gelukkig?
Het concrete stond op. Dit is mijn halte, zei hij. Nog een prettige reis.